door Jan Bloem

Jan Bloem heeft een interessante column geschreven voor onze digitale Taiko. Lees ook zijn eerdere columns over Lichaamsbewustzijn en Seiryoku Zenyo.

Inleiding

Als er één aspect is van karate dat veel kritische discussies oproept, dan is het wel kata. De laatste jaren lijkt de focus in deze discussie vooral te de rivaliteit tussen ‘vorm’ en ‘functie’ te zijn. Ondanks de esthetische waarde en technische precisie van kata (vorm), kunnen sommige critici beweren dat de gestileerde aard ervan een beperkte overdraagbaarheid naar praktische zelfverdediging heeft (functie). Veel kata bevatten complexe bewegingen en sequenties (vorm) die mogelijk niet direct toepasbaar zijn in een snel veranderende en chaotische gevechtssituatie (functie).

Een ander kritiekpunt betreft de neiging van sommige beoefenaars om zich te veel te richten op het perfectioneren van kata (vorm) Door te veel nadruk te leggen op vorm en esthetiek, kunnen beoefenaars het contact met de realiteit van een gevechtssituatie verliezen. Dit kan leiden tot een gebrek aan praktische toepasbaarheid en effectiviteit in zelfverdedigingsscenario’s (functie).

De eerlijkheid gebied me om te zeggen, dat ik enorm gecharmeerd ben van het meer en meer centraal stellen van de functie van de vorm. En juist dat heeft het nogal aan ontbroken in het karate-onderwijs van de afgelopen decennia. En wat daarvan ook de reden (onwetendheid, onwil etc) ook is, het karate heeft daarmee een groot deel van haar maatschappelijke meerwaarde verloren naar mijn mening. De relatief recente ontwikkeling van meer nadruk op functie juich ik dan ook luidkeels toe. Maar mogelijk om een andere reden dan velen zullen denken.

Een nadeel van teveel nadruk op de functionele aspecten van kata in relatie tot zelfverdediging, is dat we mogelijk andere vormende aspecten van kata mogelijk uit het oog verliezen. Vormende aspecten die niet alleen belangrijk zijn voor persoonlijke ontwikkeling, maar juist ook voor het optimaliseren van een psychomotorische ontwikkeling.  Psychomotorische ontwikkeling stelt ons in staat de praktische toepasbaarheid van karate juist te kunnen bedienen. Ik bedoel, karate kan nog zo praktisch zijn, maar als jij psychomotorisch niet in staat bent om aan de technische voorwaarden te voldoen, dan heb je helemaal niets aan al die mooie technieken, toch ? Daarbij is de psychomotorische ontwikkeling ook een essentieel onderdeel van de persoonlijke ontwikkeling van de karateka. Ook een zeer belangrijk aspect van karate.

Pijlers IOGKF

Figuur 1: Een mooit voorbeeld van de pijlers van traditioneel karate zoals gehanteerd door de IOGKF Nederland (bron: Sydney Leijenhorst)

Lichaamsbewustzijn en kata

In mijn vorige artikelen schreef ik over het belang van seiryoku zenyo en lichaamsbewustzijn. Nu heb ik begrepen dat er karateka zijn, die dit als ‘zweverig’ betitelen. En dat vind ik oprecht jammer, omdat je dan niet hebt gesnapt hoe belangrijk die concepten zijn. Juist ook als je ultieme gevechtsefficiëntie als doel hebt.

Welnu, kata is een hele mooie manier om je lichaamsbewustzijn, en daarmee op termijn het realiseren van seiryoku zenyo, te oefenen in een meer complexe bewegingscontext. Wat ik hiermee bedoel is het volgende.

Het ontwikkelen van lichaamsbewustzijn begint doorgaans met eenvoudige oefeningen. Sommige hebben zelfs geen directe relatie met karate en zijn heel algemeen. Naarmate jouw lichaamsbewustzijn zich ontwikkelt, kun je gaan experimenteren met meer complexe bewegingsvormen. En kata is wat individuele ‘body awareness’ werkvormen betreft dan mogelijk het ultieme binnen karate. Kun jij blijven waarnemen wat er lichamelijk allemaal gebeurt, terwijl je – eventueel onder vermoeiende omstandigheden (seishin tanren) – complexe bewegingen uitvoert? En dat dan weer als opstapje naar ‘maximaal effect met minimale inspanning (seiryoku zenyo)’.

De rol van bunkai

Bunkai (分解) betekent letterlijk vertaald “analyse” of “ontleding”. In de context van karate verwijst bunkai doorgaans naar het proces van het analyseren en interpreteren van de praktische toepassingen van de technieken die te vinden zijn binnen kata. Door internationaal bekende karateleraren als Patrick McCarthy, Vince Morris, Iain Abernethy en ook ‘karate nerd’ Jesse Enkamp is vooral dat laatste, d.i. de praktische zelfverdedigingstoepassingen, erg populair geworden. En nogmaals, dit vind ik een geweldige ontwikkeling. Niet alleen omdat het aantoont dat karate wel degelijk een grote praktische waarde heeft. Bunkai heeft naar mijn mening namelijk ook een grote meerwaarde in de toepassing van kata als methode om je lichaamsbewustzijn te vergroten. Het is namelijk van belang om bijvoorbeeld te weten of een bepaalde beweging in kata een stotende of duwende beweging is. Hoezo? Nou, hiervoor moeten we even een tussenstop maken en ons een klein beetje verdiepen in de bewegingsleer.

Bewegingsanalyse

Een analysemethode die ik zelf veelvuldig gebruik is de Laban-Bartenieff Movement Analysis (LBMA). De LBMA is een systematische benadering van het begrijpen en analyseren van menselijke beweging. Het is ontwikkeld door de Hongaarse danser en choreograaf Rudolf Laban en later verfijnd door zijn student en collega Irmgard Bartenieff. LBMA biedt een raamwerk voor het observeren, beschrijven en interpreteren van bewegingskwaliteiten, patronen en organisatie.

Het richt zich op zes fundamentele componenten van beweging, te weten Body, Shape, Space, Phrasing, Relationship en Effort. En juist die laatste wil ik er nu even uitpakken, omdat juist deze iets zegt over de kwaliteit van bewegingen.

De effortanalyse classificeert menselijke beweging in termen van vier fundamentele parameters of elementen die de kwaliteit van de beweging bepalen. Deze vier elementen zijn:

  • Ruimte: Dit verwijst naar de manier waarop een beweging zich in de ruimte manifesteert. Een voorbeeld: is de beweging direct of indirect?
  • Tijd: Dit verwijst naar het tempo, de ritmische patronen en de duur van de beweging. Een voorbeeld: Is de beweging snel of traag?
  • Gewicht: Dit verwijst naar de mate van energie of kracht die in de beweging wordt gebruikt, variërend van licht en zacht tot sterk en krachtig. Een voorbeeld: Is de beweging zwaar of licht?
  • Flow: Dit verwijst naar de vloeiende of juist staccato-karakter van de beweging. Een voorbeeld: Is de beweging vrij en gebonden?

Een stoot of een duw

Okay, stel je nu even voor: We hebben een kata X van de Tesla Ryu van shihan Musk. In dat kata maakt de karateka een armstrekking. De karateka krijgt echter geen inzicht in of deze armstrekking een stoot of een duw is. Even los van welke gevolgen dit heeft voor de praktische toepassing van deze beweging, is inzicht in de betekenis van groot belang voor de ontwikkeling van lichaamsbewustzijn. Laten we de armstrekking namelijk eens bekijken vanuit de LBMA.

Wanneer we de effort-factoren Tijd, Ruimte, Gewicht en Flow toepassen op een stoot (tsuki), dan geldt voor deze beweging de volgende effort analyse:

Een stoot en een duw zijn dus bijna gelijk, behalve op één factor, te weten Tijd. Een stoot is snel en een duw is traag. Waarom? Een stoot is een open keten beweging OBK, terwijl een duw een gesloten keten beweging (GBK) is. Bij een OKB beweegt het uiteinde van het ledemaat vrij in de ruimte, zonder een vast object. Tot het moment dat de stoot doel raakt, beweegt het vrij, doch gericht in de ruimte. Bij een GBK blijft het uiteinde van het ledemaat (bijvoorbeeld een arm of been) vast of “gesloten” ten opzichte van een vast object, zoals het lichaam dat weg geduwd moet worden.

Stel nu dat de beweging in kata X wordt gezien als duw. Dit bekent dus dat tijdens de individuele uitvoering van kata x de karate moet zorgen voor een zware, gebonden, directe en vertraagde beweging.

Een experimentje

  1. GKB. Plaats je had nu eens tegen de muur. Duw de muur nu eens ‘weg’. Voel met je vrije hand eens wlke spier in je bovenarm het meest actief is. Is dat de bicep (de buiger) aan de bovenkant of de tricep (strekker) aan de onderkant van je arm? Waarschijnlijk voel je dat je tricep (strekker) een stuk actiever is dan je bicep, als je bicep al voelbaar actief is. Dit laatste is namelijk niet nodig voor het duwen van een object.
  2. OKB. Voer nu diezelfde beweging eens uit in de vrije ruimte, alsof je de beweging in een kata uitvoert. Maar wel zwaar, gebonden, direct en vooral ook traag. Voel nu de activiteit van de eerder genoemde spieren eens. Wat voel je nu?

Waarschijnlijk voel je bij experiment 2 (OKB) dat zowel de tricep als bicep erg actief zijn. Dat is logisch want de tricep moet de armstrekking maken. Maar om de vertraging moet de bicep (de antagonist) aan het werk om de beweging van de tricp af te remmen en het aan de buitenkant lijkt alsof je iemand duwt.

Okay, als je dit hebt gevoeld, dan heb je al weer een stukje lichaamsbewustwording ontwikkeld. Het probleem is echter, dat functioneel gezien je in kata goed kan worden in verkeerde dingen als je niet weet wat je eigenlijk aan het doen bent en hoe dat echt voelt. Snap je dat?

Als je in kata een duwende beweging uitvoert, wordt een spier actief die bij het daadwerkelijk wegduwen van een lichaam niet of nauwelijks actief mag worden. Gewoonweg omdat dit een energielek is. Je werkt jezelf eigenlijk tegen.

Conclusie

Ik hoop dat je nu snapt wat ik bedoel met de opmerking dat kata een ultiem middel is om lichaamsbewustzijn te ontwikkelen en dat daarvoor inzicht nodig is in de praktische toepassing c.q. de daadwerkelijke betekenis van de beweging. Kata en bunkai dienen dus samen te gaan om o.a. te voorkomen dat je goed wordt in verkeerde dingen.

Woord van dank

Mijn dank gaat uit naar Sydney Leijenhorst, 7e dan IOGKF, Chief Instructor IOGKF Nederland, en Hans Hesselman, 10e dan American Kenpo Karate, voor het kritisch meelezen en becommentariëren van mijn teksten.